De actieve burger

Sinds midden jaren ’70 is de idee gegroeid om burgers niet enkel rechten, maar ook plichten toe te kennen. Burgers kregen een zeker verantwoordelijkheid, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de mensen rond hen. Vandaag is de actieve burger vooral te vinden in de ‘civil society’, het maatschappelijk middenveld. Het werken in buurtverenigingen, vakbonden, sociale verenigingen, etc. zijn de favoriete bezigheden van de actieve burger. Actieve burgers willen zelf een verschil maken en aan de slag gaan in de samenleving rondom hen.

 

Het maatschappelijke middenveld kent zo drie belangrijke functies. Het is, in de eerste plaats, voor veel mensen de enige manier om actief deel te nemen aan beleidsvoering. Participatie start meestal kleinschalig, bijvoorbeeld in een lokale vereniging. Eens mensen de smaak te pakken hebben, zetten ze zich vaak steeds meer in om zo een gemeenschappelijk goed na te streven. Een tweede functie is dat maatschappelijke organisaties een buffer vormen tegen individualisme en privatisme. Door het samen werken aan een gemeenschappelijk doel, ontstaat een band die er voor zorgt dat mensen verder kijken dan enkel zichzelf. Maatschappelijke organisaties dragen op die manier dan ook bij tot sensibilisering en dragen zo een educatieve functie in zich mee. De laatste functie, mogelijk de meest relevante, is dat het maatschappelijke middenveld een grote bijdrage levert aan het slagen van het overheidsbeleid. Enerzijds kunnen deze organisaties uitdrukking geven aan lokale noden die anders niet opgemerkt zouden worden en anderzijds hebben zij een belangrijke functie bij het daadwerkelijk en effectief implementeren van het beleid in het lokale niveau. Beter dan elk ander, zijn deze organisaties immers op de hoogte van eigen, specifieke noden en verlangens.

 

Ook het Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting 2012 – het jaarlijkse verslag van het Centrum OASeS – zet sterk in op het lokale maatschappelijke middenveld. Onder de noemer ‘sociale innovatie’ roept OASeS op om bijvoorbeeld wijgezondheidscentra beter te onder steunen en verder uit te bouwen. Tegelijk plaatste OASeS vraagtekens bij een beleid waar betaalde medewerkers steeds vaker ingeruild worden voor onbetaalde vrijwilligers. Ook in het kader van het Europees Jaar, wil Caritas in Belgium deze bemerking uitdragen. Beroep doen op het lokale sociaal kapitaal via het maatschappelijke middenveld is een goede zaak, maar niet wanneer dit ten koste zou gaan van gefinancierde organisaties die betaalde krachten kunnen inzetten. Een gezonde mix is bijzonder noodzakelijk, om het sociaal kapitaal voldoende te laten ‘renderen’