Verslag oktoberdagen 2012

Op 4 en 5 oktober was een delegatie van een 36tal pastores uit verschillende sectoren te gast in het karmelietenklooster te Gent, waar ook een congrescentrum gevestigd is. Tijdens de twee dagen stond het thema van de ‘levensmoeheid bij ouderen’ centraal. Bij de start kregen de deelnemers meteen een eerste opdracht: het formuleren van ‘leerdoelen’, en dat op zes verschillende niveaus gaande van het individueel-persoonlijke over het niveau van de bewoner tot het niveau van de samenleving.
 
De eerste dag werd het thema ingeleid door dr. Carlo Leget (Universiteit voor Humanistiek, Utrecht NL). Aan de hand van een aantal filmfragmenten (uit Nederlandse context) illustreerde hij verschillende opvattingen ten aanzien het ‘lijden aan het leven’ en de ‘actieve levenseindebeslissingen’ die hieruit (kunnen) voortvloeien. De toon voor de tweedaagse was meteen gezet: geen saaie academische uiteenzettingen, maar wel dialoog en uitwisseling met het publiek. En het publiek aarzelde niet om de verwachtingen scherp te stellen: hoewel levensmoeheid en levenseindebeslissingen gerelateerd zijn, moet er toch een onderscheid gemaakt worden. Wat kunnen zorgverleners doen voor mensen die aangeven dat het voor hen ‘niet meer hoeft’. Wat te doen met mensen die aangeven dat hun leven ‘af’ is, ‘voltooid’? Mensen die zichzelf lijken te overleven? De blijkbaar wijdverspreide evidentie dat euthanasie voor deze mensen een oplossing is, werd hierbij grondig in vraag gesteld.

 

In de namiddag werd eerst gefocust op het begrip ‘waardigheid’, om het mensbeeld te verhelderen van waaruit pastores en andere zorgverleners goede zorgverlening willen aanbieden. Achtereenvolgens kwamen de persoonlijke waardigheid, de relationele waardigheid en de intrinsieke waardigheid aan bod. Hoewel hier fundamenteel verschillende uitgangspunten in het spel zijn, hield Leget een pleidooi om niet voor één van deze benaderingen te kiezen, maar om daarentegen de spanning tussen de drie waardigheidsbegrippen op te zoeken, en hen in verbinding te brengen. Daarna ging Leget verder in op de rol van de pastor in de interdisciplinaire samenwerking. Hoewel hij de unieke en onmisbare rol van de pastor of spiritueel zorgverlener erkent, ziet hij er tegelijk een bron van spanning in. De uitdaging bestaat erin die spanning ‘vruchtbaar te gebruiken zodat er een meerwaarde zichtbaar blijft’. Leget verwees ter illustratie naar de ‘richtlijn palliatieve zorg’ die in Nederland werd uitgewerkt, en waarin de aandacht voor de spirituele dimensie volledig geïntegreerd is.

 

Om de geformuleerde leerdoelen en de inhoud met elkaar te verbinden, werd ’s avonds een ‘transformatiespel’ gespeeld (zie www.transformatiespel.org). Het spel nodigde de deelnemers uit om vrij te associëren rond hun krachtbronnen en ‘belemmeringen’. Dr. Dominiek Lootens, die de tweedaagse in goede banen leidde, ontpopte zich tot een kundig spelbegeleider.

 

Op vrijdagmorgen werd tijd en ruimte gegeven aan dr. An Haekens (PK, Broeders Alexianen, Tienen) voor een toelichting vanuit het medisch-psychiatrisch perspectief. Met concrete verhalen, wetenschappelijke inzichten en confronterend cijfermateriaal maakte Haekens duidelijk dat suïcide bij ouderen nog steeds een ernstig onderschat fenomeen is. Vooral mannelijke tachtigplussers blijken een risicogroep. De psychiater ging vervolgens in op rouwprocessen bij ouderen, waarbij benadrukt werd dat rouwen geen psychiatrische aandoening is. Er werd stilgestaan bij verschillende bemoeilijkende factoren in het rouwproces van ouderen (hulpeloosheid van ouderen om adequate ondersteuning te zoeken, banalisering vanwege de omstaanders, anticiperend rouwen,…). Daarna kwam het thema van de depressie aan bod. Depressie bij ouderen is niet wezenlijk verschillend van een depressie op jongere leeftijd, zo waarschuwt Haekens, maar er zijn toch significante verschillen: ouderen zijn meer geneigd om hun depressieve klachten te formuleren als lichamelijke problemen, waardoor het moeilijker is er (tijdig) op te reageren. Nochtans blijkt dit heel belangrijk voor de levenskwaliteit, en dus voor de ‘zin-in-het-leven’ van de oudere. Vroege detectie en behandeling van depressie dus als wapen tegen levensmoeheid. De specifiek medisch-psychiatrische inbreng vormde voor het publiek een uitdaging om de eigen inbreng klaar en duidelijk te formuleren. Grote eensgezindheid was er in ieder geval over gevaar om in hokjes te gaan denken: de zorg voor levensmoeë ouderen te gaan opdelen in een medisch, psychisch, sociaal en spiritueel luikje.

 

In de namiddag kwamen dr. Linus Vanlaere en Liselotte Van Ooteghem (GVO, Kortrijk) aan het woord, de een voor een ethische en existentiële reflectie over het fenomeen, de ander voor de uiteenzetting van een concreet project over het schrijven van levensverhalen als zin-gevende, zin-ontluikende activiteit bij ouderen. Vanlaere verwees naar de studie van de Nederlandse sociologe Defesche, die recent onderzocht heeft wat ‘het voltooide leven’ betekent bij ouderen, en wanneer dit ‘lijden aan het leven’ wordt, waaruit een expliciete doodswens (cfr. de balanssuïcide) kan voortkomen. Of het al dan niet tot een suïcide komt, hangt af persoonlijkheidsfactoren, sociale context, culturele waarden en percepties. De toelichting van deze factoren was de ideale inleiding op het belang van narratieve zorg, dat door Liselotte Van Ooteghem werd geïllustreerd.

 

Na afloop van deze studietweedaagse gingen de deelnemers naar huis met een goedgevulde rugzak aan inzichten en concrete ideeën met betrekking tot de complexe uitdaging van de levensmoeheid bij ouderen. Dit betekent niet dat alle honger gestild werd. Vele vragen blijven hangen, over de precieze betekenis van ‘levensmoeheid’ (maatschappelijk, medisch, spiritueel,…), over de aanpak van de zorg hieromtrent, over de preventie(on)mogelijkheden, over de rol van de pastor zelf in dit gebeuren. Het is daarom goed deze tweedaagse geen eindpunt is, maar eerder een eerste stap in een omvangrijk proces. De volgende etappe is een themanummer van Pastorale Perspectieven (in december), en een pastorale adviestekst vanuit de pastorale commissie ouderenzorg (de POZ), gepland voor volgend jaar.

 

Linus Vanlaere eindigde zijn bijdrage met een verwijzing naar de ‘kleine goedheid’ van Levinas. Door ‘kleine goedheid’ toe te laten en aan te wakkeren in onze samenleving, en in onze zorg voor ouderen, leveren we misschien wel de grootste bijdrage. Want de kleine goedheid ‘wint nooit, maar wordt ook nooit overwonnen’.
 
Pieter Vandecasteele